Medisch ABC
Terug

Medisch ABC

Wat is een hechtingsstoornis?

Kinderen met een hechtingsstoornis hebben zich in de eerste jaren van hun leven niet goed kunnen hechten aan hun ouders of verzorgers. Dat komt bijvoorbeeld doordat ze opgroeien in een tehuis, van pleeggezin naar pleeggezin gaan of ernstige verwaarlozing en mishandeling meemaken.
Maar hechtingsstoornissen komen ook voor bij kinderen die slechtziend of blind zijn geboren, of bij kinderen met een meervoudige beperking.

Een kind dat niet goed gehecht is, krijgt later vaak ernstige gedragsproblemen. Het kan niet opgroeien tot een emotioneel gezonde volwassene.

Alleen bij heel jonge kinderen zijn hechtingsstoornissen nog te verhelpen. Is het kind ouder dan 6 jaar dan wordt het steeds moeilijker er iets aan te doen.

Wilt u weten of uw kind een hechtingsstoornis heeft? Bespreek het probleem met uw huisarts. Zij kan u doorverwijzen naar een deskundige op het gebied van hechtingsstoornissen.

Een hechtingsstoornis heet ook wel onveilige hechting.

Hechtingsstoornissen komen vaak voor bij adoptiekinderen.

Hoe merkt u dat uw kind een hechtingsstoornis heeft?

Een kind met een hechtingsstoornis gedraagt zich anders dan andere kinderen. U ziet bij deze kinderen een aantal van deze verschijnselen:

  • Het kind reageert niet op de ouder als deze even weggeweest is.
  • Het kind zoekt geen veiligheid bij de ouder. Het wil bijvoorbeeld niet door de ouder getroost worden als het gevallen is.
  • Het kind zoekt geen steun bij de ouder als het ergens van schrikt.
  • Het kind wijst de ouder af maar zoekt ook contact. Het is heel tegenstrijdig in zijn gedrag.
  • Het kind gaat wisselend met afscheid nemen om. De ene keer huilt het en de andere keer is het onverschillig.
  • Het kind klampt zich overdreven aan de ouder vast en durft de wereld niet te verkennen.
  • Het kind gaat met een onbekende net zo vertrouwd om als met de ouder.

Als u hier dingen in herkent, betekent dat niet meteen dat uw kind een hechtingsstoornis heeft. Een kind kan ook een keertje spontaan op de schoot van een onbekende kruipen zonder dat het een hechtingsprobleem heeft.

Therapie bij hechtingsstoornis

Kinderen die zich aan niemand kunnen hechten zijn heel moeilijk te behandelen. Ook als ze in een pleeggezin worden geplaatst, gaat het vaak niet vanzelf goed. Toch is het wel g├│ed voor ze om in een pleeggezin op te groeien: daar leren de kinderen omgaan met andere mensen.

Voor kinderen met een verstoorde hechting is er wel therapie. De therapeut helpt de ouders om de band met hun kind weer goed te krijgen, op zo'n manier dat het kind er zich veilig bij voelt.
Als een van de ouders een trauma heeft meegemaakt, krijgt hij daar therapie voor.
Ook het kind krijgt therapie, bijvoorbeeld |speltherapie (P3)|.
Veel kinderen met een hechtingsstoornis hebben ook ernstige gedragsproblemen. Die worden apart aangepakt met |gedragstherapie (P2)|.

Er bestaan ook |alternatieve behandelingen (P1)| voor hechtingsproblemen. Voorbeelden zijn regressie-therapie, holding-therapie en bonding-therapie. U kunt deze behandelingen beter niet gebruiken. Er is niet bewezen dat ze helpen. Erger nog, ze kunnen schade aanrichten. Voor de meeste kinderen zijn deze therapie├źn beangstigend. Het probleem wordt er dus alleen maar erger van.

Hechtingsproblemen bij kinderen met een beperking

Bij bepaalde beperkingen krijgen kinderen eerder hechtingsproblemen. Bij een verstandelijke beperking bijvoorbeeld, bij autisme, bij slechtziendheid en blindheid en bij een meervoudige handicap. Deze kinderen maken door hun beperking moeilijker contact en zij hebben meer moeite om te volgen wat er om hen heen gebeurt.
Waar kunt u als ouder op letten om een zo goed mogelijke band te krijgen met uw kind?

Voor een baby met een beperking is het extra belangrijk dat u hem in uw armen houdt, knuffelt, met hem praat, voor hem zingt, hem wiegt: kortom, dat u contact zoekt. Natuurlijk alleen als u merkt dat uw baby daarvan geniet!
Gezonde baby's trekken met huilen de aandacht van hun ouders. Maar sommige kindjes met een beperking huilen bijna niet. U moet dus op zoek naar andere signalen waarmee uw kindje duidelijk maakt dat het u nodig heeft. U kunt daarbij de hulp vragen van een deskundige.

Voor een baby met een beperking is het lastiger om de wereld om hem heen te leren kennen. Daarom heeft hij extra houvast nodig. Hoe biedt u uw kind dat extra houvast?

  • Laat niet te veel verschillende mensen voor uw kind zorgen.
  • Zorg dat uw kind zo veel mogelijk in een vertrouwde omgeving is.
  • Zorg dat uw kind het goed merkt als u in de buurt bent of juist weg gaat, bijvoorbeeld door veel te praten of zachtjes te zingen.
  • Leer de signalen van uw kind kennen en reageer erop. Uw kind 'praat' van jongs af aan tegen u.
  • Doe de dagelijkse dingen met uw kind zo veel mogelijk in een vaste volgorde.
  • Gebruik vaste rituelen bij het baden en voeden en andere dagelijkse dingen.

Informatie over hechtingsstoornis

Voor informatie over de hechtingsstoornis kunt u terecht bij verschillende organisaties:

Verantwoordingstekst hechtingsstoornis

De informatie over hechtingsproblemen is algemeen. Het kan zijn dat uw situatie anders is. Hebt u nog vragen, dan kunt u die stellen aan uw arts of hulpverlener.
De teksten zijn gebaseerd op:

  • Jong, W. de (2009). Angst en depressie. Over angsten, depressies en aanverwante problematiek bij kinderen en jongeren. Uitgeverij Pica.
  • Eijden, J.P.M. van (2006). Jonge kinderen met een visuele of meervoudige beperking. Tijdschrift Vroeg, mei 2006, 4-9.
  • Wijnroks, L., e.a. (2006). Onveilig gehecht of een hechtingsstoornis. Het onderkennen van hechtingsproblematiek bij mensen met een verstandelijke beperking. Utrecht: Uitgeverij Lemma.